Younghusband’s invasie van Tibet in 1904
In een boek van 1924 beweerde de gerenomeerde Duitse reiziger en Centraal-Aziё kenner Wilhelm Filchner dat er tussen 1900 en 1902 een all-out stuwende beweging was geweest om Tibet voor Tsaristisch Rusland veilig te stellen. [...]
Het was het gedrag van de Tibetanen zelf eerder dan de Russen dat de nieuwe onderkoning [Viceroy Lord Curzon] van Brits Indiё er uiteindelijk toe overhaalde dat er iets achterbaks aan het gebeuren was tussen Lhasa en Sint Petersburg. Hij had twee keer een brief gestuurd naar de Dalai Lama met vragen omtrent handel en andere zaken en elke keer was de brief ongeopend teruggekeerd. Toch leek de God-koning
opperbeste relaties te hebben met de Russen zoals zelfs de kranten van Sint Petersburg begonnen te beweren. Curzon was tezelfdertijd echt gealarmeerd dat er achter zijn rug een geheim verdrag in de maak was. Hij was ook persoonlijk beledigd dat zijn autoriteit bot was afgewezen door een politieke non-entiteit als de Dalai Lama. Bij het begin van 1903 was hij er van overtuigd dat de enige effectieve handelswijze er in bestond een missie naar Lhasa te sturen – die geweld zou gebruiken indien nodig – om de waarheid omtrent de Russische activiteiten aldaar te achterhalen en de Britse betrekkingen met Tibet op een stevige en behoorlijke basis te enten. [...]
In april slaagde hij er in de goedkeuring van het kabinet [in Londen] te krijgen voor een kleine missie met escorte naar Khamba Jong, net over de grens op Tibetaans grondgebied, om er te pogen besprekingen te voeren met de Tibetanen. De officier (political officer) door Curzon uitgekozen om de missie te leiden […] was majoor Francis Younghusband, 40, voor de gelegenheid gepromoveerd tot kolonel. De Tibetanen, echter, weigerden te onderhandelen – tenzij aan de Britse zijde van de grens – en trokken zich terug in hun vesting (jong). De missie werd na een impasse van verschillende maanden teruggeroepen naar Indië. Men had niets bereikt en aanzienlijk gezichtsverlies geleden.
Gepikeerd door deze tweede botte afwijzing van zijn schriele buren overhaalde de Viceroy Londen om in te stemmen met een tweede missie. Deze keer zou die worden vergezeld van een duizendman sterk militair escorte en zou het aanzienlijk verder in Tibet doordringen. Curzon geloofde dat een dergelijke uiting van macht Tibet zou dwingen te gehoorzamen. Strikte orders werden gegeven dat de missie niet verder mocht gaan dan de grote vesting Gyantse, halfweg op weg naar Lhasa. Terzelfdertijd werden Sint Petersburg en Peking, de nominale heerser over Tibet, officieel op de hoogte gebracht van de intenties van Groot-Brittannië. […]
Opnieuw viel de keuze op kolonel Younghusband om de missie te leiden. Een brigadier-generaal stond aan het hoofd van het Ghurka and Sikh escorte. Voorafgegaan door een sepoy [een Indisch infanterist in het Brits Indisch Leger] die de Union Jack droeg, stak deze groep op 12 december 1903 de bergpassen over die tot in Tibet leidden. Achter hen ploeterde een kolonne van tienduizend dragers, zevenduizend muilezels en vierduizend yaks door de sneeuw; samen droegen ze de baggage van de expeditie, de champagne voor de officieren incluis. […]
Zonder een druppel Tibetaans bloed te vergieten waren Younghusband en zijn escorte met success drie belangrijke obstakels te boven gekomen – de veertienduizend voet (4,250m) Jelap Pas, een verdedigingsmuur die de Tibetanen op hun weg hadden opgetrokken en de vesting Phari waarvan werd gezegd dat die op vijftienduizend voet (4,550m) de hoogste ter wereld was. Het escorte was elk van die obstakels zonder gevecht te boven gekomen. Dit was het ogenblik dat de stemming onder de Tibetanen begon om te slaan, namelijk met de aankomst in Guru van een groep monniken-strijders (warrior monks) uit de hoofdstad Lhasa die orders hadden gekregen om de Britse opmars tegen te houden. Ze waren vergezeld van vijftienhonderd Tibetaanse troepen gewapend met musketten (matchlocks) en heilige amuletten – elk met het persoonlijk zegel van de Dalai Lama. Hun priesters beloofden hen dat de heilige amuletten hen immuun tegen kogels zouden maken.
Younghusband’s escorte commandant, brigadier-generaal James Mcdonald bracht vlug zijn Ghurka’s en Sikh’s rond de Tibetanen in stelling zodat dezen volledig omsingeld waren. Daarna werd de inlichtingenofficier van de missie die Tibetaans sprak, kapitein Frederick O’Connor, uitgestuurd om de Tibetanen op te roepen hun wapens neer te leggen. Maar de Tibetaanse bevelhebber negeerde hem terwijl hij iets onverstaanbaars tegen zichzelf zei. Macdonald gaf daarop het bevel om de Tibetanen te ontwapenen, zo nodig met geweld, en de sepoys die hiervoor waren uitgestuurd begonnen de musketten uit de onwillge handen van de Tibetaanse troepen te wringen. Dat was voor de Tibetaanse bevelhebber te veel. Hij haalde een revolver vanonder zijn gewaden tevoorschijn en schoot de kaak aan flarden van één van de sepoys in de buurt terwijl hij terzelfdertijd zijn troepen opriep om te vechten. De Tibetanen wierpen zich onmiddellijk op het escorte maar werden dra neergeschoten door de zeer goed getrainde Ghurka’s en Sikh’s. In minder dan vier minuten tijd, terwijl hun middeleeuws leger desintegreerde onder het moordend vuur van moderne wapens, lagen bijna zevenhonderd slechtbewapende and haveloze Tibetanen dood of stervend op de vlakte.
‘Het was een verschrikkelijke en huiveringwekkende zaak’ schreef Younghusband in een echo van de gevoelens van alle officieren en manschappen. Als hoofd van de missie had hij niet deelgenomen aan het bloedbad. Hij had gehoopt op een nieuwe overwinning zonder bloedvergieten. Het is niet duidelijk waarom Mcdonald niet onmiddellijk het bevel gaf het vuren te staken toen hij zag wat er gaande was. In ieder geval bleef het schieten duren terwijl de Tibetanen, die zich misschien niet realiseerden wat er gebeurde, traag over de vlakte wegtrokken. Het is mogelijk dat Mcdonald heeft getracht het vuren te staken maar dat men hem niet hoorde boven het geluid van de machinegeweren. […] Toen woord van de slachtpartij Londen bereikte veroorzaakte het woede bij de liberale publieke opinie zelfs wanneer de dokters van de missie rond de klok in de weer waren om zoveel mogelijk levens van de Tibetaanse gewonden te redden. […]
Verre van te verslappen werd het Tibetaanse verzet heviger toen de Britse opmars tegen Gyantse werd verdergezet. Ook Tibetaanse verliezen namen verder toe. […] Onder de Britten waren verliezen vijf doden en dertien gewonden. […] In het licht van de onverwachte tegenstand [naar verluidt georganiseerd door een geheimzinnige Mongoolse agent van Tsaristisch Rusland] voorzag Londen dat het onwaarschijnlijk was dat de Tibetanen met Younghusband zouden onderhandelen in Gyantse. Daarom kreeg Younghusband instructie de Tibetanen te waarschuwen dat, tenzij ze met onderhandelingen instemden binnen een bepaalde periode, de Britten naar Lhasa zouden marcheren. De redenering was dat dit de Tibetanen naar de onderhandelingstafel zou brengen in het licht van de heilige onschendbaarheid in dewelke ze hun hoofdstad hielden. Maar de datum van het ultimatum verstreek zonder dat iemand opdaagde. Tien dagen later, op 5 juli 1904, werd het bevel gegeven naar Lhasa te marcheren. […]
Er volgde een hevig gevecht om het Tibetaanse bolwerk [Gyantse] waarvan men zei dat het oninneembaar was. […]
Toen het nieuws van de val van Gyantse Lhasa bereikte reageerde men met ontzetting want er bestond het oude geloof dat ware de vesting in handen van invaderende troepen te vallen, het land gedoemd was. […]
Na het laatste Tibetaanse verzet te hebben opgeruimd bereikten de Britten de oevers van de snelstromende Tsangpo rivier, het enige overblijvende obstakel tussen hen en Lhasa. […]
Op 2 augustus 1904 kregen de Britten een eerste glimp van de heilige stad vanop een nabijgelegen heuvel. Younghusband keerde zich in het zadel om en zei aan zijn inlichtingenofficier enkel ‘Wel, O’Connor, daar ligt het, eindelijk’. […]
De volgende dag, met alleen een klein escorte en in volle diplomatieke regalia, reed Younghusband de heilige stad binnen.